Mijn, of beter gezegd, onze familiehistorie van de Baakman-kant is redelijk goed gedocumenteerd. Zo goed dat er een boekje van te maken was, waarin een vroege Duitse auto – de Phänomobil – een hoofdrol speelt.

En een geschiedenis waarin figuur- en kunstrijden op de fiets voorkomt, de TT Assen haar oorsprong mede vindt bij onze familie, de broers Baakman misschien wel de eerste Nederlandse auto bouwden en Noord-Nederland door hen werd voorzien van de eerste generatie Citroëns. Hoe dat zit?
Onze overgrootvader Hendrik Baakman begon samen met zijn broer Jan kort na 1900 met het importeren van auto’s uit Duitsland met de illustere naam Phänomobil. Uit Zittau om precies te zijn, waar Quirijn en ik sinds 2014 elk jaar deelnemen aan een internationale Xterra-crosstriatlon-wedstrijd. Tot voor kort zonder de wetenschap dat onze familiegeschiedenis met dit voormalige Oost-Duitse plaatsje is verbonden. De vervallen fabriek in Zittau staat er nog, maar zonder een spoor van de Phänomobil. Of toch … op een industrieterrein tegen de Poolse grens is nog een machinebouwbedrijf gevestigd dat voortkomt uit de Phänomobil-fabriek. Een bezoek moet uitwijzen hoe goed ze hun eigen geschiedenis kennen. En wat ze aan ons kunnen meegeven. In Nederland staat wél een Phänomobil: in het Louwman Museum in Wassenaar. Hun pronkstuk.

1. De Phänomobil
In 1907 rolde de eerste Phänomobil uit de fabriek in het Duitse Zittau. Een onvervalste driewieler met een tweecilinder motor (900cc), die later werd ingewisseld voor een luchtgekoelde viercilinder. De Assense fabrikant van Hermes rijwielen en motoren, de gebroeders Baakman, zagen brood in de import van deze Duitse driewieler en leverden de Phänomobil door heel Nederland.
Dat was voor de klanten nog een behoorlijke uitgave: in 1915 kostte een Phänomobil 2.100 gulden. Dat zou nu ongeveer 50.000 euro zijn. Tja, en waar vind je vandaag de dag nog een Phänomobil? In Nederland in elk geval nog op één plek: het Louwman Museum in Wassenaar.
Een bezoek is echt een aanrader: de Phänomobil staat als een van de weinige auto’s in een vitrine. Een pronkstuk van het museum. Op de volgende pagina’s advertenties van de Phänomobil van de Baakmannen (bron: https://conam.info/historie/importeurs-personenautos-tot-1980/importeurs-autos-tot-1940-beschrijvingen/797-phaenomobil-d-baakman-assen-1919).






2. De Baakmannen
Hoe het kwam dat Hendrik Baakman – inderdaad: de vader van Roelie Baakman-Vermeulen, onze moeder, grootmoeder en overgrootmoeder – Phänomobilen importeerde uit Zittau? Dat is een lang verhaal. Eerst maar iets over de familie, dan over de fietsen en daarna komen de motoren en auto’s. De familie Baakman was oorspronkelijk afkomstig uit Duitsland. Uit de huidige gemeente Neuenhaus in Nedersaksen om precies te zijn. Alle archiefstukken uit die tijd zijn overigens in het Nederlands. En Neuenhaus is in de archiefstukken Nieuwenhuis. De eerste Baakman is Hindrik Baakman (ongeveer 1740), getrouwd met Elisabeth Swam. In 1825 vertrekt hun kleinzoon Harm Hendrik Baakman, 27 jaar oud, naar Assen, samen met zijn zeven jaar jongere zus Elisabeth. Hij is smid en zijn beide zonen worden dat ook. Een van die zonen – Hendrik Jan – krijgt vier zonen, waaronder Jan (1867-1933) en de tien jaar jongere Hendrik (1877-1959) én vier dochters. Ze wonen dan aan de Alteveerstraat 14 in Assen. Jan begon net als zijn vader als grofsmid en maakte vooral ijzerwaren en gereedschappen voor boeren. Toen zijn jongere broer Hendrik (onze bet-over-grootvader) zich bij hem in de smidse aansloot, begonnen ze fietsen te bouwen. Hermes rijwielen, waar ze er duizenden van maakten. De andere broers: die werden schilder (Lambert) en slager (Jantinus). Onze bet-over-grootvader Hendrik was getrouwd met Johanna Lunshof. Zij krijgen drie kinderen, waaronder Roelfiena Hendrika Margina (Roelie, onze over-groot-moeder) en Grietje (tante Gré). Het derde kind – Hendrik – wordt maar twee dagen oud.
Het lijkt in het vervolg van dit verhaal of onze bet-over-grootvader wat in de schaduw stond van zijn oudere broer. Tien jaar is natuurlijk een flink verschil. Feit is wel dat met de komst van Hendrik in de firma J. Baakman de overstap werd gemaakt naar rijwielen. En van rijwielen is het natuurlijk een kleine stap naar motoren en auto’s …..


3. De Hermes-rijwielen: het begin van een bloeiende firma
De eerste rijwielen van de firma J. Baakman – de Hermes 1, 2 en 3 – zijn nog fietsen met een groot wiel voor en een klein wiel achter: dé standaard voor het einde van de negentiende eeuw. Tenminste, ik vond een prijscourant uit 1899 met een voorkant die boekdelen spreekt als het gaat om loopfietsen en hoge-wiel-voor/laag-wiel-achter-fietsen. Deze heetten officieel: Hoge Bi (High Bi), uitgevonden in 1871. In het Engels zie je dat nog terug in het woord bi-cycle. Daar zijn ze vergeten om het voorvoegsel ‘bi’ weg te laten …. Tja, Engelsen zijn natuurlijk wat traditioneel. Zou de loopfiets model 1 zijn geweest? In datzelfde jaar worden ook de modellen 4 en 5 aangeboden. De gewone fietsen zoals wij die nu kennen: met twee wielen van gelijke grootte. En in 1902 (zie de foto) ook de modellen 6 tot en met 8.
Een stapje naar voren in de tijd: de grondlegger van de Phänomobil-fabriek in Zittau maakte eind van de negentiende eeuw een reis naar Engeland, waar hij bij de John Kemp Starley de Rover zag: een fiets met wielen van gelijke grootte en een ketting (zoals we die nog steeds kennen). Hij krijgt van Starley toestemming om dat ontwerp in Zittau te mogen fabriceren. Hij was daarmee de eerste op het vasteland van Europa. Wie weet hebben de broers het idee van hem …. en was dat het lijntje naar de import van Phänomobilen? De beknopte prijslijst van 1940-1941 laat zien dat er nog steeds Hermes-fietsen worden gemaakt en verkocht. Ze zijn ondertussen goedkoper geworden, dat wel.





4. Hermes-soirées: wielermarsch, figuurrijden, kunstrijden, jeu de rose en pantomime
De Hermes was een populaire fiets, zeker in de thuisstad Assen. Al snel werd daar een wielervereniging opgericht met de naam Hermes. Misschien wel slimme marketing van de Baakmannen. De vereniging organiseerde regelmatig clubavonden: soirées. Er zijn twee programma’s bewaard gebleven van deze soirées: van 24 maart 1897 en van 11 maart 1899. De soirées vonden plaats in het Concerthuis in Assen. En het programma: een wielermarsch, figuurrijden, kunstrijden, jeu de rose (vossenjacht), het bondslied en een rijwielen-pantomime.
Een recensie in de Provinciaal Drentsche Courant: “De groote zaal van het Concerthuis bood een opwekkende aanblik: de middenruimte was vrijgelaten, de toeschouwers – dames in baltoiletten, waarvan de lichte kleuren een aardig contrast vormden met de zwarte kleding der heeren – hadden plaats genomen onder de balcons. Het zaalrijden werd stipt naar de bevelen van den commandant uitgevoerd. De sierlijkheid waarmede de verschillende figuren worden gereden, de elegante wendingen en de op gelijken tijd en maat gemaakte bewegingen veroorzaakten uitroepen van bewondering onder het publiek […] Naar men ons mededeelt, hebben bij de soirée, door “Hermes” gegeven, alle medewerkende leden gereden op Hermes-machines van den fabrikant Baakman alhier. De machines welke op het tooneel zoo sierlijk waren gerangschikt, waren nieuwe machines van den heer Baakman, van welke dadelijk een is verkocht”. En wat kostten die Hermes-machines dan? Een advertentie uit die tijd laat zien het instapmodel (“1e klas rijwiel”) 85 gulden kostte en het topmodel (“Prima 1e klas rijwiel) 100 gulden. Damesrijwielen kostten 2,50 gulden meer.



5. Een volgende stap voor de firma: Hermes-rijwielen met hulpmotor
De volgende stap voor de broers was van fietsen naar motoren. Brommers had je nog niet in die tijd, die verschenen pas in 1948 op de markt. Wij zouden nu zeggen: “Fiets met hulpmotor”. Onze bet-over-grootvader Hendrik en zijn broer noemde ‘m de ‘Hermes Rijwielmotor’. Gelijk maar wat reclame voor deze machine in hun eigen woorden: “Het HERMES Rijwiel met “SACHS”motor, met twee versnellingen, vrijloop en platenkoppeling biedt den verbruiker de grootst mogelijke bedrijfszekerheid. Door den lagen bouw bevordert het gemakkelijk sturen en voorkomt het slippen. Prijs van een solied Rijwiel met Sachs motor, geheel compleet … 190.00 Gld.”.

De broers lieten het daar niet bij: ze bouwden voor zichzelf een automobiel. Het is bij een prototype gebleven, want het blijft bij één foto met de beide broers op hun zelfgemaakte automobiel. Ze hadden historie kunnen schrijven met de eerste Nederlandse auto. Of misschien hebben ze dat ook wel gedaan, maar weten alleen wij er van …


6. Van een zelfgemaakte automobiel naar de import van de Phänomobil
Die zelfgemaakte automobiel van de broers Baakman is waarschijnlijk wel de opstap geweest naar de Phänomobil. Ze hadden de smaak te pakken: van loopfiets via motorfiets naar auto. Hoe ze lucht kregen van de fabriek in het verre oosten van Duitsland – ook nu nog een flinke dagtocht – geen idee? Ze hadden ook bij de Daimler en Maybach of bij Benz kunnen uitkomen, maar dat was dan weer Zuid-Duitsland. Feit is dat ze vanaf 1907 de Phänomobil gingen importeren. Hoe? Door de auto’s zelf te halen! Er is zelfs een foto van zo’n actie. Waar die is genomen: in Leipzig, bij het Völkerschlachtdenkmal, dat in 1913 werd ingewijd. Op dat punt zaten de eerste 200 kilometer van de thuisreis er alweer op. Het zullen uiteindelijk heel wat ritjes geweest zijn om al die auto’s uit Zittau te halen. En waren het wel auto’s zouden we ons nu afvragen? Met twee wielen achter en één wiel voor?
In een brief uit 1932 wordt nog vermeld dat de Baakmannen importeurs zijn van de Phänomobil, maar die wordt maar tot 1927 gemaakt…. Tja, ze waren er duidelijk trots op. In 1924 hadden ze hun handen ook nog vol aan de Phänomobil. In een bericht over een techniekbeurs in dat jaar staat het volgende: “In juni 1924 exposeerde Baakman nog op de N.E.T.A. tentoonstelling in Assen [Nijverheids- en elektriciteitstentoonstelling Assen: met de nieuwste innovaties] als “een van ouds bekend en degelijk adres voor rijwielen, auto’s, motoren, Phänomobielen en alle voorkomende onderdeelen”. Ze hadden toen overigens ook een ander merk in het vizier, daarover later meer. Technische informatie over de Phänomobil: https://de.wikipedia.org/wiki/Ph%C3%A4nomobil.



7. Hoe het afliep met de Phänomobil-fabrieken in Zittau
De Phänomobil werd gemaakt door het bedrijf Phänomen Werke Zittau. Oprichter en directeur Gustav Hiller, een echte uitvinder, was bijvoorbeeld pionier op het gebied van luchtgekoelde motoren. Zoals we die kennen van de 2CV, Kever en Porsche. De fabriek van Gustav heeft tussen 1907 en 1927 Phänomobilen gemaakt, waaronder uitvoeringen als taxi en vrachtwagen en is vanaf 1927 overgeschakeld op bedrijfsauto’s. Het bedrijf – op dat moment herdoopt tot Robur – is na de oorlog genationaliseerd en heeft nog tot 1991 vrachtwagens gemaakt, waarna het failliet is verklaard. De Wende was de belangrijkste oorzaak van dit faillissement.
Mark was op bezoek in Zittau en begreep dat onder meer Mercedes-Benz en MAN de fabriek hadden gekocht om vervolgens de patenten te gebruiken voor een nieuwe versie van hun Unimog. Van Mercedes, die inderdaad in 1992 van de band rolt. Om daarna het bedrijf te sluiten en een groot deel van de inwoners van Zittau werkloos achter te laten…. Het verhaal is dat vervolgens een ‘handige’ Pool de fabrieken overneemt voor een symbolisch bedrag van 1 Duitse Mark. De waarschuwingsborden bij de vervallen fabriek zijn inderdaad in het Pools. Om er wat mee te doen? Om al het ijzer eruit te slopen voor de verkoop en de fabrieken aan hun lot over te laten. Dat gebeurde ook een paar jaar later. De fabrieken zien er nu uit als vergane glorie: een perfect decor voor een horror- of zombiefilm….



8. Van de Hermes-rijwielclub naar de Phänomobil-autoclub en … Citroën
Is er dan niets over van de fabrikant van de Phänomobil? Ja toch. Bij het faillissement van de fabriek in 1991 koopt een van de directeuren dat deel van het bedrijf dat zich bezighoudt met het ontwerp en de bouw van de productiemachines voor de Robur bedrijfswagens en bussen. Hij noemt het bedrijf Phänomen Machinebau Zittau. Tijdens het verblijf van Quirijn en Mark in Zittau rond half augustus van 2025 hebben zij het bedrijf bezocht en werden meer dan welkom ontvangen en voorzien van verhalen en anekdotes. Dat levert foto’s op van twee Phänomen-mannen (zie hieronder) en van een Phänomen-motor die in de gang van het kantoor stond (op dat moment te koop!).

Terug naar Assen. Hoe lopen de verkopen van de Phänomobilen? Hoe groot is het enthousiasme bij het koopkrachtige publiek? Groot zo blijkt: door heel Nederland worden de auto’s verkocht en in Assen wordt er zelfs een Phänomobil-club opgericht. Daar zaten de broers natuurlijk achter. Die hadden de smaak van het auto-verkopen te pakken, want in de jaren twintig wordt aan het assortiment het merk Citroën toegevoegd. Goeie keuze. En goeie timing: André Citroën – eigenlijk: Citroen, zijn ouders kwamen uit Amsterdam en hun vader heette eigenlijk Limoenman, maar dat vond zijn schoonfamilie niet aansprekend genoeg, dus moest het Citroen worden, in Parijs werden het trema toegevoegd – begon vanaf 1919 met het produceren van zijn eerste auto: type A, gevolgd door B2 en de 5HP. Aan het einde van de jaren twintig was Citroën de een na grootste autofabrikant ter wereld. De firma Baakman wordt zo Citroën-dealer voor Noord-Nederland. Daarnaast blijven ze rijwiel- en motorfabriek en doen ze natuurlijk het onderhoud aan de auto’s.

Vanaf 1945 stappen ze over naar andere merken: eerst de Volkswagen – de Kever is dan net uit, daar is ie weer – en aansluitend naar Van Doorne’s Automobiel Fabriek, oftewel DAF. Dat is dan de Nederlandse opvolger van hun eigen prototype die ze eind van de 19de eeuw met z’n tweeën bouwden.


9. Een echte originele Phänomobil zien?
Bezoek dan het Louwman Museum in Wassenaar aan de Leidsestraatweg 57. Heb je een museumkaart, dan is de toegang gratis, anders kost het (in 2025) € 20,00. Kan een reden zijn om een museumkaart te kopen, maar ja, die is weer duurder…. Parkeren kan in de parkeergarage onder het museum voor € 4,50/uur. Auto’s ouder dan 40 jaar parkeren kosteloos op het voorplein: rijd over het voetpad voor het museum langs om hier te komen (https://louwmanmuseum.nl/). Er heeft al een ‘proefbezoek’ plaatsgevonden, waarin we werden rondgeleid door Phil Seed met specifieke aandacht voor de Phänomobil. Superinteressant! Verder is er natuurlijk voor nazaten van de Baakmannen ook meer op 2/3/4 wielen te zien: Citroëns, Volkswagens, DAF’s en veel meer. Als je het bezoek wilt combineren, dan kan dat bijvoorbeeld met museum Voorlinden (een topmuseum, waar helaas de museumkaart niet geldig is) of met de duinen van de Zuid-Hollandse kust. Een prachtig natuurgebied en aspirant nationaal park.



10. De Baakmannen en de TT van Assen
De Baakmannen produceerden en verkochten motorfietsen, dat is ondertussen bekend. Het lijkt dan bijna logisch dat ze ook een motorclub oprichten, net zoals ze dat bij de Phänomobil en de Hermes-fietsen hebben gedaan. En inderdaad, dat werd de Motorclub “Assen en Omstreken”: https://geheugenvandrenthe.nl/encyclopedie-drenthe/motor-club-assen-en-omstreken. Net als bij de Hermes-club met de soirées organiseerde deze motorclub ook evenementen, waaronder een wedstrijd – of eigenlijk betrouwbaarheidsrit – voor motoren op de openbare weg. Ze noemden de wedstrijd de Tourist Trophy Assen (afgekort: TT Assen): https://tthistorie.nl/tt-historie-1925-t-m-1935/. En waarom die Tourist: wedstrijden op de openbare weg waren verboden. Ook bij de eerste TT in Assen werd de vergunning voor de ‘race’ pas een paar uur van tevoren verstrekt door de Commissaris van de Koningin. Als je er een betrouwbaarheidsrit van maakte en het woord ‘toerist’ erin zette, dan was er een grotere kans dat je een vergunning kreeg. De TT Assen is uitgegroeid van een evenement met 27 deelnemers in 1925 naar een van de grootste internationale motorraces met een eigen circuit (de TT Assen is bovendien de oudste grand prix van de wereld). Gelukkig niet meer op de openbare weg, zoals in de beginjaren. En wie weet binnenkort ook van de Formule 1-races: er zijn gesprekken gaande https://www.formule1.nl/nieuws/tt-circuit-assen-droomt-formule-1-na-jubileum-er-zijn-gesprekken/. Zo is er een lijntje van onze bet-over-grootvader naar Max Verstappen, niet altijd zonder ongelukken overigens. Dat vertelt het laatste hoofdstuk….



11. Epiloog: Hoe Roelie Baakman haar rijbewijs haalde (ongeverifieerd) en de auto van haar neef in de Haulerwijkstervaart terechtkwam (geverifieerd)
Vooruit, nog één aardige anekdote uit de Baakman-geschiedenis, geheel voor rekening van Mark. Onze over-groet-moeder Roelie/Roelfina vertelde me eens hoe ze haar rijbewijs heeft gehaald. In elk geval zonder rijlessen, dat was niet nodig met een vader en oom met een garage waar ze regelmatig de auto’s mocht verplaatsen. Tijdens het rijexamen – het zal ergens eind jaren twintig, begin jaren dertig van de vorige eeuw zijn geweest – reed ze met de auto een sloot in, waar ze uitgetrokken moest worden (bij navraag in de familie lijkt ze dit verhaal alleen aan mij verteld te hebben, dus of het waar is ….). Auto weer op de weg gezet, gewoon doorrijden en …. geslaagd! Zo kan het dus ook! Ondertussen heb ik wel een idee hoe dat heeft kunnen gebeuren.
Het was natuurlijk de begintijd van de rijexaminering. En haar vader Hendrik en oom Jan waren beide rijinstructeur en examinator. Kan zomaar zijn dat zij of hun collega’s haar de sloot niet hebben aangerekend. Overigens was zij in onze familie geen uitzondering met auto in de sloot. Er is een oud krantenartikel, waaruit blijkt dat haar neef Hendrik Jan Baakman tijdens een bezoek aan een hotel-café Kok in Haulerwijk vergat zijn auto op de handrem te zetten, waarna de auto van de weg in de Haulerwijkster Vaart rolde. Hij werd uit het café gehaald, de auto op de kant getrokken, maar hij kon er niet meer mee naar huis. De tekst van het krantenartikel over deze voor Haulerwijk indrukwekkende gebeurtenis is bewaard gebleven. Aandachtspuntje is dat hij niet in een Phänomobil reed, maar in een Chevrolet. Ondertussen is de Vaart op die plek gedempt (en is het hotel verdwenen).


12. De nazaten van Hendrik Baakman, hun gezinnen en hun vroege (auto)mobielen: een selectie



Geert en Anka – Geert met een van z’n eerste motoren: een BMW R60 (‘veel narigheid met die motoren’), met hun eerste auto: een Volkswagen Kever in Arras (Noord-Frankrijk) rond 1977 en met de opvolger van hun Kever: een Citroën Dyane in 1980 (let op de fietser die aan de overkant van de straat als een toeschouwer de reparatie volgt). Citroën komt heel regelmatig voor in de familie. En dat is niet toevallig gezien de geschiedenis …

Joke – haar tweede auto: een Citroën 2CV uit 1974, ergens in Frankrijk

Mark – zijn eerste auto: een Citroën Dyane uit 1977 in 1982 samen met de mede-eigenaren Loek en Peter ergens in voormalig West-Duitsland. De Dyane had Mark overgenomen van Geert en Anka

Geert – jaren later met zijn Honda CB450N (uit 1985/86)


Miriam – met haar Citroën Ami 6 Club uit 1969 op het TT Circuit van Assen (!) in 2003 en sleutelend aan haar Citroën Ami Break uit 1966 in 2024

Maurits – foto van zijn (niet eerste) motor: een Suzuki GT250X7, gemaakt tussen 1971 en 1981
13. Technische informatie over de Phänomobil van de hand van Maurits
Motor
• Plaatsing: dwars vóórin (transversaal), direct boven/op de vooras.
• Koeling: luchtgekoeld (geen radiateur nodig).
• Uitvoeringen:
• Vroege modellen: 2-cilinder viertaktmotor (ca. 1000–1200 cc, ~6–10 pk).
• Vanaf 1912: 4-cilinder luchtgekoelde motor van ca. 1,5 liter (~12–18 pk, afhankelijk van uitvoering).
👉 Die dwarsgeplaatste motor met voorwielaandrijving was zeer vooruitstrevend: pas veel later (1959, Mini) werd dit gemeengoed.
⸻
Aandrijving
• Voorwielaandrijving (zeldzaam rond 1910; de meeste auto’s waren toen achterwielaangedreven).
• Eenvoudige ketting- of tandwieloverbrenging naar de voorwielen.
• De combinatie van motor vóór + aandrijving vóór gaf meer tractie en ruimte achterin voor passagiers of lading.
⸻
Chassis en ophanging
• Driewielig ontwerp: twee wielen achter, één voor.
• Het voorwiel stuurde én werd aangedreven (vergelijkbaar met een motorfiets met zijspanlogica, maar dan andersom).
• Frame van buisstaal of gelast staal, licht van gewicht.
• Achterwielen vaak star bevestigd, met bladveren voor vering.
⸻
⸻
Afmetingen & Prestaties
• Gewicht: ca. 400–500 kg (afhankelijk van uitvoering).
• Snelheid:
• Kleine tweecilinder: 35–45 km/u.
• Viercilinder: 60–70 km/u (voor die tijd behoorlijk snel).
• Brandstofverbruik: ca. 6–8 liter/100 km, dus vergelijkbaar met een lichte motorfiets met zijspan.
Varianten
• Touring-car (open vierzitter, vaak met kap).
• Bestelwagen (lichte delivery-van, populair bij kleine middenstanders).
• Sport-/wedstrijduitvoering (door importeurs aangeprezen voor rally’s en betrouwbaarheidsritten).
⸻
⚙️ Innovatie in perspectief
De Phänomobil was eigenlijk een tussenstap tussen motorfiets en auto: lichter en goedkoper dan een “echte” auto, maar comfortabeler en veelzijdiger dan een motor. De voorwielaandrijving en dwarsmotor waren zo vooruitstrevend dat sommige historici hem als een van de voorlopers van de moderne compacte auto zien.